|
Katholiek geloof
HOMILIE
VOOR SACRAMENTSZONDAG 2011
Vorige
zondag zijn wij opnieuw in processie rondgetrokken door de straten van de
parochie, verenigd rond het H. Sacrament, dat de hele weg door de Bisschop
gedragen werd. Aldus hebben wij Christus zelf tot bij de mensen gebracht die de
binnenstad bewonen of bezochten. Sommigen knielden eerbiedig neer bij het
voorbijkomen van de Eucharistische Christus. Voor vele anderen leek het echter
een totaal onbekend en onbegrepen gebeuren. Niet weinigen maakten vlug wat
digitale foto’s en zullen ondertussen, weer thuis, al proberen te achterhalen
hebben wat die vreemde optocht toch wel te betekenen mag hebben gehad.
Deze
laatste groep toeschouwers zijn helaas het meest representatief voor de
westerse mens van vandaag. Zij leiden ons recht naar het woord uit de eerste
lezing, genomen uit het boek Deuteronomium, over ‘dat dorstig land zonder water’. Ook daar was het de Heer ‘die uit de keiharde rots water liet
ontspringen’ en ‘het manna te eten
gaf’. Onze samenleving lijkt wel het evenbeeld van de woestijn waar het
joodse volk doorheen moest om de slavernij van Egypte te ontvluchten. Maar er zijn
twee wezenlijke verschillen. Ten eerste kwam voor de joden de woestijn na de slavernij. En ten tweede waren zij
echt op weg naar het beloofde land.
Zij die
vandaag van hun christelijke wortels zijn losgekomen denken natuurlijk ook dat
hen een echt eldorado wacht, maar in
feite is enkel een geestelijke woestenij hun deel. Wij zijn het daarom niet
eens met hen die vinden dat wij ons als Kerk maar bescheiden moeten opstellen
en moeten beseffen dat wij maar één van de vele zingevers zijn op de
veelkleurige markt van de spiritualiteit. Wij kunnen het met hen niet eens zijn, omdat het maar al te duidelijk
is dat wie het geloof van zijn vaderen opgeeft er niet iets beters voor terug
krijgt, maar doodgewoon achterblijft in de leegte. Wie dat niet begrepen heeft, heeft geen lessen te geven aan niemand.
Enkel bij
Christus vinden wij nieuwe levenskracht voor goede en kwade dagen. Enkel zijn
vlees is echt voedsel en enkel zijn bloed is echte drank. Enkel Hij is het
levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Ook wij als gelovigen zouden ons
daar best wat meer bewust van mogen worden. De Heer heeft ons in zijn H.
Sacrament een ware schat nagelaten. Een schat die wij vaak schromelijk
onderschatten. Een schat waar wij niet - zoals in de parabel uit het Evangelie
- alles voor over hebben. Een schat die wij vaak onaangeboord laten, als een
ongeopend geschenk, met de strik er nog rond.
Het
hoogfeest van het H. Sacrament moge ook ieder van ons wakker schudden. Hoe
bereiden wij ons voor op de zondagsmis? Hoe nemen wij deel aan de
eucharistieviering? Hoe ontvangen wij de communie? Hoe gaan wij voorbij het
tabernakel? Hoe is het besef dat Jezus bij ons blijft, ook na de communie? Hoe
doordesemen mis en communie ons dagelijks leven? Denken wij niet dat een
eerlijk gewetensonderzoek ons ook op dat vlak goed zou doen? Hoe kan ons geloof
aanstekelijk worden voor die vele zoekers van vandaag als wij maar zo lauwtjes
omgaan met ons dierbaarste bezit?
Wij mogen
de Heer vragen dat Hij ons zou helpen om meer als eucharistische mensen te gaan
leven. Kerk vormen wij niet slechts door de sacramenten te ontvangen, door de
mis bij te wonen, door morele voorschriften te onderhouden. Dat alles is zeer
belangrijk, maar het valt allemaal maar op zijn plaats als wij de geestelijke
verbondenheid met Christus beleven. Daarin kan de Eucharistie ons op unieke
wijze helpen. Want enkel de beker der zegening geeft gemeenschap met het bloed
van Christus en enkel het brood dat wij breken geeft gemeenschap met het
lichaam van Christus. Laat dat de bron zijn van onze dankbaarheid jegens
Christus die in de tekenen van brood en wijn met ons blijft tot in eeuwigheid.
HOMILIE VOOR DE ZEVENDE
PAASZONDAG 2011.
In deze dagen tussen Hemelvaart
en Pinksteren nodigt de Kerk vanouds uit tot intens gebed. Het heet de
pinksternoveen: gedurende negen dagen wordt vurig om de komst van Gods Geest
gevraagd. Een uitstekende gelegenheid om ons eens af te vragen wat er specifiek
is aan het christelijk bidden. M.a.w. hoe christenen eigenlijk behoren te
bidden.
In alle godsdiensten wordt
immers gebeden of gemediteerd. Maar het specifiek christelijk bidden vernemen
wij van de Heer Jezus. Hij leert ons met name het Onze Vader. Ons bidden wordt
pas echt christelijk als het zich baseert op de inhoud van dit Gebed des Heren.
Christus zelf is daarbij ons voorbeeld. Net voor Hij zijn lijden ingaat, bidt
Hij eerst nog zeer intens tot zijn hemelse Vader. Hij bidt voor zichzelf dat
Hij het Kruis niet zou ontvluchten. Maar Hij bidt vooral voor de zijnen, voor
hen die de Vader Hem gegeven heeft. Niet voor de wereld dus, maar alleen voor
degenen die God toebehoren. Zij zijn in de wereld, maar niet van de
wereld. Wie de wereld toebehoren, kunnen niet tegelijk God toebehoren,
zo eenvoudig is dat. Passie voor het wereldse en passie voor God gaan niet
samen.
Enkel de Geest van God kan ons
sterken om de strijd aan te gaan met de zelfzucht. Dat leren we van St. Paulus
in zijn Galatenbrief (5, 13 e.v.). De apostelen waren net vóór het
Pinksterfeest samen in de bovenzaal te Jeruzalem. ‘Zij bleven allen eensgezind volharden in het gebed, samen met de
vrouwen, met Maria, de moeder van Jezus, en met zijn broeders’. Ja, er is
niet alleen het gebed van Christus, er is ook het gebed van de Kerk. Ons bidden
moet openstaan voor de werking van de H. Geest. Het moet zich daarom enten op
het grote gebed van de Kerk. Want wij zijn leden van een wereldwijde
geloofsgemeenschap, van de Kerk, het Mystieke Lichaam van Christus. Daar komen
we als vanzelf dichter bij het Geheim van Gods Aanwezigheid.
En zo belanden wij bij weer een
ander aspect van ons christelijk bidden. Als het juist is dat wij bij Christus
horen als ranken bij een wijnstok, dan moeten wij ook metterdaad in zijn
voetstappen treden. Dit betekent dat wij net als Hij niet onder het lijden uit
zullen kunnen. Jezus heeft ons geleerd dat het doel van het leven er niet in
bestaat het lijden te vermijden of te ontvluchten, maar er integendeel doorheen
te groeien. Dit is zeker niet het gemakkelijkste aan ons geloof, maar het is
wel fundamenteel. Het Kruis is van ons geloof niet voor niets de kern en het
symbool. In die zin zegt de Apostel Petrus: ‘verheugt
u in de mate dat gij deel hebt aan het lijden van Christus; dan zult gij
juichen van blijdschap, wanneer zijn heerlijkheid zich openbaart’.
Het gebed is dus wezenlijk in het
leven van de christen. Alle uitvluchten die wij kunnen vinden ten spijt: zonder
een sterk gebedsleven zijn wij als christenen verloren, zeker in een tijd als
deze. Moge ons gebed zich daarom altijd spiegelen aan het ‘Onze Vader’. Eerst
God loven alvorens Hem allerlei te vragen. Verder Gods wil
vóór onze eigen verlangens stellen. En tenslotte sterkte zoeken in ons
gebed om aan het lijden niet ten onder te gaan, maar in het lijden tot
geestelijke groei te komen. Want, zoals de Schrift het zegt: ‘Die onder tranen zaaien, zij oogsten met
gejuich!’
HOMILIE VOOR HET FEEST VAN ‘S
HEREN HEMELVAART 2011.
Vandaag vieren wij feest. Wij
vieren Christus, van wie wij in het Credo belijden dat ‘Hij is opgevaren ten
hemel en zit aan de rechterhand van de God, zijn almachtige Vader’. Zijn
opdracht onder ons was na zijn Opstanding immers vervuld. Hij was gekomen om
ons te verlossen van de slavernij van het kwaad en van de tyrannie van de dood.
Nu die zending bekroond was met zijn sterven en verrijzen, kon Hij weerkeren
naar de Vader. Maar eerst had Hij ons nog wel een andere Helper beloofd:
de Heilige Geest. Van Hem gaan we binnen tien dagen de nederdaling vieren: op
Pinksteren, de vijftigste dag na Pasen.
De Heer Jezus laat ons niet
verweesd achter. Wij blijven niet hulpeloos alleen nu Hij zijn aardse taak
beëindigd heeft. Niet naar de hemel blijven staren en de aarde vergeten! Dat is
de boodschap van de twee mannen in witte gewaden aan de verzamelde apostelen.
Het is niet gedaan! Het is niet gedaan omdat Christus zelf eens tot ons zal
weerkeren. Maar het is ook niet gedaan omdat de bal ondertussen in ons kamp
ligt. Wij moeten nu de taak van de Heer Jezus voortzetten.
Is het zoals met grote figuren
uit de wereldgeschiedenis die bij hun dood vaak navolgers krijgen, die hun
levenswerk verderzetten? Neen, het is veel meer dan dat! Christus is immers de
Levende die met ons is en blijft, Hijzelf! Wij
kunnen nu laten zien of wij echt ranken aan zijn wijnstok zijn geworden,
of wij echt een vitale band met Hem onderhouden. M.a.w.: of wij echt
andere christussen zijn. Dat is een hele opdracht. Beseffen wij wel voldoende
dat de toekomst van de hele schepping mede van ons afhangt? Dat moge ons
enthousiasme geven, dynamiek, vreugde zonder weerga.
Die vreugde speelt zeer zeker op
de achtergrond van het relaas dat we bij Matteüs vinden over de Hemelvaart van
Jezus. Hoe hadden de apostelen anders ooit de opdracht kunnen op zich nemen die
de Kerk juist tevoren had ontvangen van haar Stichter? Die opdracht is
drievoudig: zij moeten gaan, zij moeten dopen en zij moeten leren.
Niet toevallig zijn dit de drie taken van de Kerk: de herderlijke taak, de
heiligende taak en de onderwijzende taak. Dat is niet niks! Temeer daar ze op
pad worden gestuurd naar alle
volkeren van de wereld. Hoe zou men zulk een immense taak op zich durven nemen
zonder een bron aan te kunnen boren van innerlijke vreugde?!
Als die diepe vreugde eenmaal ons
deel is, zullen we ons niet zo gemakkelijk laten overtroeven door al het kwade,
het onheilspellende, het betreurenswaardige om ons heen. We zullen ons juist ten
volle leren inzetten voor het goede, het heilzame, het opwekkende. Want
geworteld in Christus is dat allemaal toch mogelijk! Dat precies is de macht
van het evangelie, de rijkdom van onze roeping, de hoop waarvan wij tegenover
de wereld mogen getuigen. Al wat ons leed kan berokkenen in dit bestaan is niks vergeleken met de diepe vreugde te
beseffen dat wij verloste mensen zijn, mensen die eens zullen delen in het
volle Leven van de Heer Jezus.
Wat een vreugde vooral, wat een
allerkostbaarste bezit is niet de schat die Hij ons zelf heeft nagelaten bij
het Laatste Avondmaal: zijn eigen Lichaam en zijn eigen Bloed. Mogen die voor
ons een blijvende bron van kracht zijn, waaraan wij ons telkens weer kunnen
voeden en laven. Ja, moge dit mysterie van Christus’ blijvende Aanwezigheid ons
te allen tijde tot steun zijn en tot sterkte. Want in die gaven van zijn
Lichaam en Bloed blijft de Heer Jezus werkelijk voor altijd om ons heen!
HOMILIE VOOR DE VIJFDE PAASZONDAG 2011
Eén van de eerste kwesties die de jonge Kerk na
de Verrijzenis van de Heer moest zien te regelen was die van haar inwendige
organisatie. Deze kon natuurlijk niet het resultaat zijn van zuiver menselijke
beslissingen, maar moest zo getrouw mogelijk Gods eigen bedoelingen
weerspiegelen. De drie schriftlezingen van deze vierde zondag na Pasen
belichten daarvan elk een wezenlijk aspect.
In het evangelie maakt de Heer Jezus zelf ons
duidelijk dat de zending van de Kerk niet los bekeken kan worden van de zending
van Hemzelf. Zo zegt Hij tot zijn leerlingen: ‘Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij’ en ‘Wie Mij ziet, ziet de Vader’. Het geeft aan dat Christus een
unieke plaats bekleedt in het grote heilsplan van zijn Vader. De Kerk van
Christus kan daarom zelf ook niet anders dan zichzelf te zien als het pad naar God. Elk relativisme dat
erop zou neerkomen dat elke godsdienst de mens wel op een andere, maar daarom niet mindere
wijze tot bij God kan voeren is dan ook uit den boze. De Heer zegt onomwonden: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven’.
Petrus zet dat in zijn eerste brief in
beeldrijke taal om, waar hij spreekt van de Heer als ‘de levende steen’. Hij speelt vervolgens wat met dat pas gebruikte
beeld. Hij heeft het dan over Christus als ‘de
hoeksteen’, die voor zijn tegenspelers juist de steen wordt die ze hebben
afgekeurd, maar ook de steen waaraan ze zich stoten. Daarmee krijgt deze steen
kosmische allures. Niemand kan zijn eigen bestaan of de menselijke geschiedenis
los zien van Christus. Niemand kan zijn eigen bestaan of de menselijke
geschiedenis begrijpen dan in het licht van Christus. Niemand kan onverschillig
blijven tegenover Christus en zijn Boodschap: Hij zal ofwel hoeksteen zijn ofwel struikelsteen van ons bestaan.
Wij die geroepen zijn Hem te volgen moeten ons
daarom in zijn Kerk laten voegen ‘als
levende stenen’ in een ‘geestelijke
tempel’. Als gemeenschap van gedoopten vormen wij een heilige priesterschap
en moeten wij geestelijke offers opdragen. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft
zich met name op deze bijbelse passage gebaseerd om de fundamentele waardigheid
en roeping van alle gedoopten, gewijde en niet-gewijde, te onderstrepen. Ze
heeft meteen ook hun gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het leven en de
taak van de kerkgemeenschap beklemtoond. Vele lekengelovigen zijn zich
sedertdien actief gaan inzetten in allerlei domeinen van het kerkelijk leven en
dat is heel goed. Want de Kerk is natuurlijk niet het private jachtgebied van
de geestelijkheid, waar onbevoegden zich liefst verre van af moeten houden.
Door het doopsel zijn wij allen geroepen en gehouden om aan apostolaat te doen.
Alleen mag het fundamentele onderscheid tussen het gewijde priesterschap en het
algemene priesterschap nooit uit het oog worden verloren.
Dat laatste komt duidelijk aan bod in de
Handelingen van de Apostelen. Daar worden zeven mannen aangesteld, de eerste
diakenen, om van de apostelen ‘de zorg
voor de ondersteuning’ over te nemen, zo dat die zich weer meer met hun
pastorale taken zouden kunnen bezighouden. Ook in onze huidige kerkstructuur
dient een duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen de opdracht van de
pastores, zijnde de bisschoppen en de priesters, en de opdracht van de andere
gelovigen. Enkel bisschop en priester heten ‘pastor’, ‘herder’ omdat enkel zij
in de geloofsgemeenschap de plaats bekleden van ‘de Goede Herder’, Christus, die zichzelf door de handen van de
apostelen en hun opvolgers als voedsel geeft in de Eucharistie. Hoe goedbedoeld
misschien ook, maar daar waar meewerkende lekengelovigen zomaar de titel
‘pastor’ meekrijgen, wordt in feite afbreuk gedaan aan de Kerk zoals Christus
zelf die heeft gewild, Hij die leeft en heerst met God de Vader in de eeuwen
der eeuwen.
|